Operateske zwellingen

Operateske zwellingen

De exhumatie van Rossini in 1887 in Parijs (fotogravure).

In Florence, in de Basilica de Santa Groce, waar het wemelt van dode beroemdheden, bevindt zich het graf van componist Rossini. We waren daar vorige lente, stonden voor zijn metershoge grafmonument. Helemaal bovenin is zijn gebeeldhouwde portret in een medaillon te zien. Onderaan staat een levensgroot vrouwenbeeld te treuren bij zijn hogerop geplaatste tombe, al ligt hij in werkelijkheid onder de vloer van de kerk. Het voelde heel vreemd dat daar, ingemetseld, de resten van de schepper van opera’s als ‘De Barbier van Sevilla’, ‘Wilhelm Tell’ of het even curieuze als adembenemende‘Petit messe solennelle’ voor koor, orkest, twee piano’s en harmonium, daadwerkelijk aanwezig zijn. Je kijkt naar beeldhouwwerk, maar je hoort zijn muziek.
Gioachino Rossini (1795-1868), dat is echter niet alleen muziek maar ook lekker eten. Sauzen, daar was deze Italiaanse componist dol op. Hij bedacht zelf de recepten en die zijn bewaard gebleven. Je kunt, als je internet raadpleegt of over zijn kookboek beschikt, het zelf allemaal namaken. Maar doe dat met mate, veel van zijn gerechten zijn vet en overdadig.

Zijn muziek is uitbundig, de vrolijkheid van Mozart, de bombast van Verdi en dan met van die typisch Rossiniaanse crescendi, de hijgerige opwinding die meerdere keren tot een hoogtepunt komt, waarbij de muziek na enkele dreunen van Turkse trom en bekkenslagen weer tot rust gebracht wordt. Opzwepende muziek, zeker voor die tijd. En als je tijdens de uitvoering in slaap sukkelde, zorgde dat gedreun er bij herhaling voor dat je weer rechtop ging zitten.

Maar er is ook heerlijke, geestelijke muziek zoals de genoemde ‘Petite messe solennelle’ uit 1863 – compleet met enkele operateske zwellingen – en het grillige ‘Stabat Mater’. Op de achterkant van de partituur van de ‘Petite messe solennelle’, met dat bevende, nasale geluid van het harmonium, schreef Rossini: ‘Goede God alstublieft, een kleine mis. Ik hoop dat het onder de noemer gewijde muziek mag vallen. Zij gezegend en verleen mij het paradijs’.

Dat paradijs kwam er. Vijf jaar later overleed Rossini, naar men zegt wegens overmatig eten. Maar de officiële diagnose luidde: darmkanker. Het één zal misschien wel met het ander te maken hebben gehad. Dus laten we voorzichtig zijn met het realiseren van zijn overdadige receptuur. 

De in 1795 in Pesaro geboren operacomponist werd in 1887 in de Santa Croce bijgezet, terwijl hij toch in 1868 was overleden. Hoe was dat mogelijk? Waar was hij al die negentien jaar gebleven? In Parijs. Daar was Rossini in 1868 onder enorme belangstelling bijgezet in een grafhuisje op Père Lachaise dat nog steeds zijn naam draagt. Omdat Italië in de loop van de 19de eeuw, tijdens het Risorgimento, bezig was om iedere bewoner van de vaak zelfstandige gebieden in één natie te persen, wilde het alle beroemde Italianen die over de wereld verspreid waren geraakt terug naar het nieuwe vaderland. Levend of dood. Dus werd ook Rossini verhuisd. Op de foto zien we het comité van herbegraving bij zijn graf op Père Lachaise. Het Frans-Italiaanse comité was verantwoordelijk voor de exhumatie en het daaropvolgende vervoer per trein. Eerst moest echter vastgesteld worden dat Rossini echt in die kist lag (wat gezien de fotogravure niet iedereen een prettige klus vond). 

Rossini stond bekend om zijn humor. En vanwege zijn provocatieve uitlatingen. Zoals deze:

‘Oh, come sarebbe meravigliosa l’opera se non ci fossero i cantanti!’ (Wat zou de opera prachtig zijnals er geen zangers waren.) Een steuntje in de rug van degenen die vinden dat er uiteindelijk maar weinig operazangers en -zangeressen zijn die echt prachtig, niet vals en zonder al te veel operateske zwellingen kunnen zingen.
Eric Bos