
De stad Florence begroette ons met de slordig op een voetgangersbrug aangebrachte leus ‘Morte à esthetica’ (Dood aan de schoonheid). Omdat Schoonheid nu eenmaal in de armen van Liefde verkeert, klonk zo’n tekst als een verraad aan de stad en haar Uffizi-museum waar we dronken van alle schoonheid van alle Piero della Francesca’s, Botticelli’s, Titiaans, Donatello’s, Bernini’s en tientallen andere schilders en beeldhouwers, besloten op tijd de uitgang te zoeken. Maar toen liepen we tegen het Portret van Isabella Brandt van Rubens aan en stonden we opeens voor Portret van een jonge man uit ca 1639 van Rembrandt, twee schilderijen met zo’n esthetische kracht en ongelooflijke schilderkunstigheid dat we vervolgens naar buiten stuiterden, uit vrees het beruchte Stendhal-syndroom te hebben opgelopen. Met ware doodsverachting stortten wij ons vervolgens in de gotische franciscaner kerk Santa Croce waar de ziekteverschijnselen zich voor het eerst aan de Franse romantische schrijver Stendhal (1783-1842) openbaarden, toen hij in 1817 de kerk bezocht.
Het leek eerst nog mee te vallen, maar weldra kregen we de neiging rond te tollen, de ogen gericht op de grandioze gotische architectuur van de basiliek, gebouwd tussen 1294-1295 naar een ontwerp van Arnolfo di Cambio en de renaissance-perfectie van Brunelleschi’s Pazzi-kapel. En dan de Florentijnse schilderkunst uit de veertiende eeuw: de grote frescocycli over het leven van de heilige Franciscus van Giotto en zijn leerlingen, de altaarstukken uit de Renaissance en de Contrareformatie, de sculpturen van Donatello en vooral de monumentale graftombes van Michelangelo, Galileo, Machiavelli, Dante Alighieri en, uit de negentiende eeuw, van componist Rossini. Zijn Petite Messe Solennelle weerklonk opeens in onze oren, maar dat moet verbeelding zijn geweest.
-In 1817 stond Stendhal voor de tombe van Michelangelo. Later heeft hij beschreven wat er gebeurde:
‘Ik had dat niveau van emotie bereikt waar de hemelse sensaties van de kunsten en gepassioneerde gevoelens samenkomen. Toen ik Santa Croce verliet, sloeg mijn hart een slag over, het leven was voor mij opgedroogd, ik liep rond met de angst om te vallen.’
Wat Stendhal overkwam, is misschien te vergelijken met wat het romanpersonage Bergotte uit ‘Op zoek naar de Verloren Tijd’ van Marcel Proust rond 1920 onderging bij het aanschouwen van ‘Gezicht op Delft’ van Johannes Vermeer. Alleen eindigde het voor Bergotte met de dood.





