‘Zij keek mij aan met zoet gekreun’

‘Zij keek mij aan met zoet gekreun’

Joseph Severn: ‘Portret van John Keats’ (1821) National Portrait Gallery, Londen

De  jonggestorven Engelse dichter John Keats (1795-1921) wiens leven eindigde in een appartement naast de Piazza di Spagna in Rome (zijn doodsbed is daar nog steeds aanwezig), ontmoette zijn ‘Belle Dame sans merci’ voor het eerst in 1818. Fanny Brawne heette zij. Hoewel Keats zich in gezelschap van vrouwen allerminst op zijn gemak voelde, maar in liefde voor haar ontvlamde  – zoals een smeulend blok hout in de open haard dat plotseling van verse zuurstof wordt voorzien – stond hij in hevige tweestrijd. Wilde hij een engagement met haar, dan zou de familieziekte tuberculose die ook bij hem voor de deur stond en die hem drie jaar later noodlottig zou worden, op haar worden overgebracht. Hij wilde wel voor háár sterven, maar zij moest dat niet voor hém doen. Dus stelde Keats zijn keuze uit, ontweek het lot en begon haar brieven te schrijven.

Fanny Brawne was een achttienjarig dametje met een onderkinnetje en een sterk geknikte, gebogen neus die naar de smaak van die tijd als een absolute schoonheid werd beschouwd. Wat Keats voor haar voelde, wordt haarscherp verwoord in zijn brieven. Net zoals in een aantal van zijn gedichten, waaronder zijn eerste ‘Fanny-gedicht’, het beroemde La Belle Dame sans merci uit 1819, dat verhaalt van een ridder en zijn onbereikbare geliefde:
I met a lady in the meads. / Full beautiful, a fairy’s child; / Her hair was long, her foot was light, / And her eyes were wild.
Het gedicht gaat over liefde, bezetenheid, betovering en dood, want de Dame betovert hem met haar aanwezigheid, of zoals Keats het plastisch onder woorden bracht: ‘Zij keek mij aan met zoet gekreun.’ Dat wat de dames in die pré-Victoriaanse tijd doorgaans angstvallig nalieten (zoet te kreunen in gezelschap van een man), deed La Belle Dame sans merci nadrukkelijk wel. Geen wonder, zij was geen gewone stervelinge maar een elf en die zijn, zo weten we sinds Goethes Erlkönig, even grondig in hun plagerige verleidingskunsten als dodelijk voor een mensenkind.

John Keats beschrijft in een lawine aan brieven naar zijn elvenprinses Fanny Brawns de bijna onverdraaglijke gevoelens die hij voor haar koestert, zijn wassende hartstocht, zijn groeiende jaloezie. De brieven voeren langzaam maar zeker naar het moment dat de dood zijn voeten al staat te vegen op de mat van de hal. 
Het koortsachtige verlangen in dat zieke lijf, vermengd met doodsangst, berusting en lethargie, waardoorheen maar steeds dat hunkeren naar ‘mijn kuise Fanny’, in al die van oprechtheid en wanhoop barstende zinnen en alinea’s – ze vormen wellicht het pijnlijkste, kwetsbaarste en meest persoonlijke liefdesproza wat de geschiedenis heeft voortgebracht. Het was als een voor het laatst opflakkerend stuk hout in de verstikkende as van een te snel verteerd vuur.
In een brief aan zijn vriend betuigt Keats spijt dat hij Fanny nooit heeft bezeten. Zij bleef voor hem het beeld van de ideale vrouw – van schouder tot voetzool gehuld in een struise japon, waarbij de verlangende minnaar zich kon wentelen in het verheffende genot van haar onvoorwaardelijke en onneembare kuisheid. Deze levenshouding in de liefde, ingegeven door de mores van de maatschappij, gevoed door zijn afkomst en vormgegeven door zijn overgevoelige persoonlijkheid, moet voor Keats een niet te harden situatie zijn geweest
Als een postiljon d’amour schoof de brievenbesteller  de brieven van de jonge dichter tot het eind toe in de kleine brievenbus van zijn geliefde. Totdat bij de dichter de koorts van de tuberculose hoger reikte dan die van de liefde. 
Vier maanden na de laatste brief aan Fanny Brawne stierf John Keats in de armen van zijn vriend, de schilder Joseph Severn. De brieven die Fanny hem terug geschreven had, lagenongeopend op zijn kastje.

Deze tekst verscheen op 10 mei 1996 als Visualia 282 in het Nieuwsblad van het Noorden.