
Wasvrouwen in de kunst zou je een apart genre kunnen noemen. Het is al eeuwen oud, maar vooral tussen 1840 en 1940 werd het druk beoefend, in een tijd toen de burgerij oog kreeg voor de beroepen van gewone mensen en voor de sociale omstandigheden van werkenden. Wasvrouwen werden onderdeel van een stroming die we ‘sociaal realisme’ noemen, dat we ook in de literatuur en het toneel van die tijd terugzien.
Hier zien we zo’n wasvrouwenschilderij dat de Franse kunstenaar Eugène Boudin (1924-1898) schilderde met de titel ‘Les lavandières a la Touque’ (1880-1895). Het is een typische wasvrouwenafbeelding, een rij vrouwen op hun knieën aan het water met wasmanden en een berg kledingstukken. De wassende vrouwen kwamen allemaal uit het naburige dorp, zoals hier bij Boudin of, als het een stad als Parijs betrof, werkten ze officieel als wasvrouw in een wasserij of langs de Seine. Ze behoorden tot de belangrijkste rangen in het stadsleven. Het was de meest solide, bedrijvigste, luidruchtigste en meest geduchte van alle door vrouwen uitgevoerde beroepen. In 1880 waren zo’n 9000 vrouwen als ‘lavandière’ actief. Je zag ze overal. Langs de Seine en het Canal Saint-Martin op speciaal daarvoor gebouwde bateaux-lavoirs (wasboten) in lange rijen op hun knieën wasgoed schrobben met as of met zeep om het onder te dompelen (week te maken) of uit te spoelen in de rivier. Of je kwam ze op straat tegen, met hun wasbundels of waszakken. Niet alleen Boudin, ook Paul Villiers, De Toulouse-Lautrec, Daumier, Bonnard en Degas, bijna alle schilders schilderden wel wasvrouwen.
Wassende vrouwen waren populair, ook al waren er duizenden mannelijke uitbaters van wasserijen die zelf ook de was deden. De schilders vonden wassende mannen niet aantrekkelijk genoeg om te vereeuwigen.
Door de eeuwen cultuurgeschiedenis heen stond de wassende vrouw voor het zuiverende principe. Ze was het symbool van zuiverheid, van onbevlektheid, het middel tegen chaos en verloedering. Wekelijks was ze in gevecht met de onafwendbare vervuiling en ze won altijd. Zelfs zonder wasmachine. Ze levert fris geurend wasgoed af, vaak ook nog gebleekt, gesteven en gestreken. Buitenlanders waren in de zeventiende eeuw verbijsterd over de buiten de oevers tredende zuiveringsdrang van de Hollandse huisvrouw die niet alleen het interieur, maar zelfs het smerige straatje en stoepje vóór het huis schrobde met water en zeep. Dat was nergens anders in de wereld te zien.
De journalist en schrijver Émile Zola stelde in 1877 de harde werkomstandigheden van wasvrouwen aan de kaak in zijn roman ‘L’Assommoir’ dat in 1956 door René Clair verfilmd werd onder de titel ‘Gervaise’: ‘Woest geselden ze het wasgoed, ze lachten, ze draaiden zich om, om door al het lawaai heen iets te roepen, bogen zich over hun tobbes, rauw, lelijk en lomp waren ze, doorweekt als na een stortbui, hun huid rood en dampend. Om hen heen en onder hen door vloeide een grote stroom: emmers heet water werden aangevoerd en in één keer leeggestort, van boven pisten wijd open koudwaterkranen, het spatten van de wasborden, druipend uitgespoeld wasgoed, de plassen waarin ze ploeterden verspreidden zich als beken over de hellende vloertegels, zo lezen we in Émile Zola, ‘L’Assommoir’- 1877.
Eric Bos





