
Na decennia in de ban te zijn gedaan, werden in de jaren ’70 voorzichtig tentoonstellingen georganiseerd waarin het Symbolisme als kunsthistorisch verschijnsel weer werd geaccepteerd. Eén van de eerste was ‘Het Geheim’ in het Groninger Museum in 1972. Die zorgde voor een omslag in de herwaardering van het Symbolisme (1870-1910) in ons land.
Dit schilderij is daar een mooi voorbeeld van. Het werd rond 1900 geschilderd en verbeeldt een nachtelijke droomwereld zoals de schilder die tijdens een verblijf in Constantinopel ervoer. We zien de haven van Constantinopel, waar zeewaardige zeilschepen roerloos voor anker zijn gegaan als dromende wezens in een blauwe werkelijkheid. Het is het Blauwe Uur, het tijdstip tussen de dag en de nacht, wanneer de hemel nog enigszins helder lijkt, maar alles een merkwaardig blauwe kleur krijgt. Op zulke momenten vloeien alle kleuren samen in dat blauw, vlak voordat de vormen van de natuur met elkaar versmelten.
Om het mysterieuze gevoel dat dan optreedt te ervaren, moet je geen haast hebben of aan het werk zijn. Je moet, net als de schilder Lucien Lévy-Dhurmer, in je diepste wezen een dromer zijn.
De in Algerije geboren Franse symbolist Lucien Lévy-Dhurmer (1865-1953) was de schilder van de stilte en de betovering. De beweging van het Symbolisme wilde het onzichtbare, het onstoffelijke, zichtbaar maken, maar tegelijkertijd beschermen tegen het ontnuchterende daglicht. Het schept een wereld die verborgen ligt onder en achter de zichtbare wereld om ons heen. Landschappen en stadstaferelen zijn daarbij vaak in mist gehuld waardoor ze een parallelle werkelijkheid suggereren.
Het Symbolisme, met name in België en Frankrijk, was een reactie op het Naturalisme en het Realisme, maar wilde ook tegenwicht bieden aan de kille werkelijkheid van de industrialisatie, van geldzucht en verstedelijking, van crisis en oorlog, waarin steeds minder plaats bleek te zijn voor dromerijen, mysterie en spiritualiteit.
In de schilderijen van Lévy-Dhurmer is het geluid afwezig. Er wordt hoogstens gefluisterd, elk lawaai, alle scherpe contouren zouden de ontstane meditatieve stemming vernietigen.
De nacht als bergplaats van ‘het geheim’, zoiets zeggen we in deze tijd niet meer. Dat vinden we gezwollen taal, literair, overdreven. We kunnen ons nog maar moeilijk inleven in de gevoelswereld van onze voorouders. Maar in de tijd van Lévy-Dhurmer, het fin-de-siècle, putten schrijvers en dichters zich uit in het woorden geven aan hypergevoelige ervaringen, met schilderachtige taal en literaire schilderkunst. Schrijvers onder wie de Belg Georges Rodenbach met zijn dichtbundel ‘Le Règne du Silence’ (1891) en zijn roman ‘Bruges-la-Morte’ (1892) inspireerden veel Belgische en Franse kunstenaars zoals Lucien Lévy-Dhurmer die zijn nachtlandschappen verbond met muziek van Beethoven, Fauré en Debussy.
De beide wereldoorlogen sloegen de droom aan stukken en rekenden ongenadig af met de esthetiek van het mysterie. De westerse wereld was wakker geschud, de werkelijkheid bestond slechts uit de hel. Symbolisme kreeg een lachwekkende betekenis in een cynische wereld die alleen nog maar uit leek te zijn op de totale vernietiging van alles en iedereen. Ook in de realistisch en zakelijk ingestelde,naoorlogse wederopbouwcultuur was er weinig aandacht voor dromerijen. Tot het jaar 1972 waarin de zachte krachten aarzelend weer tevoorschijn durfden te komen.
Eric Bos





